Geen mondkapje, geen recht op consult?

Sinds het begin van de coronacrisis is het vaak genoeg voorgekomen dat men zich verzet of willen verzetten tegen de door de overheid gestelde coronamaatregelen. Zoals reeds bekend is een van die coronamaatregelen het dragen van een mondkap (geweest). Zorgaanbieders mogen zelf bepalen of een mondkap in de praktijk nodig is. Dit betekent dat huisartsen, tandartsen en andere zorgaanbieders hier hun eigen regels voor kunnen hanteren. Dit geschiedde ook in een zaak die voorkwam bij de tuchtrechter (https://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI_NL_TGZRSGR_2021_117).

De feiten van deze casus zijn als volgt.

Klager had een afspraak voor een consult gemaakt bij de huisarts. Op diverse plaatsen in de praktijk stond aangegeven dat het dragen van een mondkap verlicht was. Klager was samen met zijn echtgenote bij de praktijk. Zijn echtgenote droeg een mondkap. Daarnaast neemt de echtgenote het gesprek zonder kennisgeving daarvan op. Klager zelf had ervoor gekozen om geen mondkap te dragen. Hij vond immers dat het dragen van een mondkap voor schijnveiligheid zorgde.

De betreffende huisarts had hierover met de klager gesproken en nadat klager weigerde de mondkap om te doen, belde de dienstdoende huisarts de politie en daarna de KNMG-artseninfolijn.

De echtgenote heeft een consult bij beklaagde gehad. Tijdens dat consult heeft beklaagde gezegd dat klager een strafblad krijgt wanneer hij een klacht wegens huisvredebreuk tegen hem indient, dat een aantal vakantiebestemmingen in de toekomst daardoor voor hem onmogelijk wordt omdat hij dan niet meer wordt toegelaten tot bepaalde landen, dat het dan onmogelijk voor hem wordt een andere huisarts te vinden (“huisartsen kletsen namelijk onderling nogal”) en dat hij hoopt dat klager zich tegenover zijn echtgenote anders gedraagt.

Klager stapt vervolgens naar de tuchtrechter en verwijt de huisarts dat die de klager onprofessioneel heeft bejegend. Uiteraard betwist de huisarts de standpunten van de klager.

Het college oordeelt dat voorop zij gesteld dat er bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsbeoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Aan de hand daarvan werd aldus de klacht beoordeeld.

Vanwege het feit dat er een geluidsopname was gemaakt, kon het college beoordelen of de huisarts zich professioneel had opgesteld. Het college oordeelde dat uit de geluidsopname in de wachtkamer bleek dat de huisarts duidelijk moeite had met de opstelling van klager. Tevens oordeelde het college dat de huisarts emotioneel reageerde op de weigering van klager om een mondkapje te dragen. Kort daarna heeft de huisarts de politie gebeld en aan klager medegedeeld dat de behandelrelatie met klager zou worden beëindigd. Ook zou de huisarts zich dreigend hebben geuit ten opzichte van klager toen de huisarts het consult hield met de echtgenote van klager. Volgens het college heeft de huisarts de grenzen van professioneel handelen dan ook overschreden.

De conclusie is dat de huisarts zowel in de wachtkamer als in de spreekkamer niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame beroepsbeoefenaar mag worden verwacht. Daardoor werd de klacht gegrond geacht.

Heeft u vragen hierover? Neem dan contact op met mr. T.R.S. Franssen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *